Het ontstaan en gebruik van houtwallen en houtsingels.
Het Nederlandse landschap; voordat de eerste bewoners zich permanent vestigden was het landschap door natuurlijke processen ontstaan.
Doordat de mens zijn leefpatroon veranderde, van jager/ verzamelaar zonder vaste woon of verblijf plaats naar landbouwer- veeteler, met een vaste woonplaats is ons “cultuur”landschap langzaam aan ontstaan.
Gronden werden ontgonnen, om vee en gewas te beschermen werden er wallen rond de akkers gemaakt. Deze wallen werden beplant met allerlei gewassen, die in de omgeving voorkwamen.
Deze, veelal houtachtige gewassen, werden dus gebruikt als veekering maar ook als geriefhout. Brandhout voor de ovens, hout voor weidepalen, gereedschapstelen etc.
De houtwallen en houtsingels komen voor op de oude (pleistocene) zandgronden. Daar waar het grondwater dichter onder de oppervlakte stond werden, als afscheiding, sloten gegraven. Langs deze sloten ontwikkelde zich ook beplanting, bv elzensingels.
De beplanting, die men uit de omgeving haalde, was daar spontaan opgekomen. Dat betekende dat de juiste soorten werden gekozen. Iemand in een nat veengebied kon dus geen beplanting kiezen die op droge zandgronden voorkomt.
We spreken over inheemse beplanting. Deze beplanting heeft zich na de laatste ijstijd in ons land gevestigd. In deze periode heeft onze fauna deze planten o.a als voedselbron en schuilgelegenheid ontdekt.
Het gebruik van inheemsebeplanting is dus zowel cultuurhistorisch als ecologisch een goede investering.
Toen de landbouw steeds grootschaliger werd en de behoefte aan geriefhout afnam, zijn er veel van de inheemse, houtachtige beplantingen verdwenen. Het landschap werd steeds kaler. Als reactie hierop ontstond een vernieuwde behoefte tot het aanleggen van groen. De gebruiksfunctie is bij deze nieuwe beplantingen steeds meer naar de achtergrond geschoven.
Vroeger leverde dit beplantingstype brandhout, weipalen en gereedschaps- stelen op. In de huidige situatie alleen maar duur afval.
Sinds de jaren ‘60 van de vorige eeuw werden in het kader van de ruilverkaveling en de landinrichting bosplantsoen-beplantingen aangelegd. Het streven was daarbij gericht op een zo natuurlijk mogelijke beplanting met daarbinnen een zo groot mogelijke variatie. Men wilde dit verwezenlijken door bij de aanleg alle soorten die van nature op een bepaalde plek te verwachten zijn, aan te planten.
Men verwachtte dat deze beplantingen probleemloos en onderhoudsarm zouden zijn, niets was en is minder waar.
Het beheer van landschappelijke struikbeplanting
Het oorspronkelijke beheer bestaat uit het terugzetten (afzagen) van (een deel) de houtwal. Dit gebeurde eens in de 6 tot 10 jaar. Elk jaar werd dus eenzesde of eentiende deel van de beplanting afgezaagd.
Dit is een goede manier van beheer, een nadeel in deze tijd is dat het snoeihout geen gebruikshout meer is, maar vaak afval.
Een andere manier van beheer is de struiken door dunnen op eindafstand te zetten. De inheemse struiken die gebruikt worden kunnen een grootte bereiken van 4 tot 6 meter, zowel in hoogte als in breedte.
Als er binnen 10 jaar na het planten 3 dunningen worden uitgevoerd, bij een plantafstand van 1.25m x 1.25m, is de uiteindelijke onderlinge afstand ongeveer 4 meter. Met deze onderlinge afstand kunnen de meeste struiken uitgroeien.
Als de dunningen zijn uitgevoerd op het juiste tijdstip blijft de beplanting gesloten.
Aan de overblijvende, volgroeide struiken, is geen onderhoud meer nodig.



